Inventarisatie bepaalt de eerste fase. Van groot naar klein. Er valt veel te leren uit de geschiedenis, opgeslagen in archieven, in de herinneringen van de vertrokken bewoners en van de buren, en natuurlijk in de bouwwerken en het erf zelf.
Boerderijen zijn nooit zomaar gebouwd. Er is altijd een heel specifieke en vooral functionele aanleiding geweest die zich liet vertalen naar een streek- of zelfs familiegebonden vormentaal. Daarnaast toont iedere boerderij een onderscheid tussen werken en wonen, ofwel het domein van de man en dat van de vrouw. Het woonhuis en de sier- en moestuin aan de voorzijde zijn er om te pronken. Het achterhuis, de deel en de schuren en stallen, worden daar strikt van gescheiden en zijn juist robuust en ruig. Het is in feite een gebruiksvoorwerp waar efficiënt gewerkt kan worden. Ook de bebouwing en het materiaalgebruik kent vaak deze tweedeling. Zo heeft het voorhuis vaak een pannendak en vinden we ter plaatse van het achterhuis riet of golfplaten. Wie gewapend is met deze cultuurhistorische kennis, kan niet alleen het exterieur maar ook het interieur van de boerderij begrijpen en waarderen. Het onderscheid tussen fraaie tegelvloeren, paneeldeuren en sierlijsten in het voorhuis en de ruwe cementvloer, de rauwe houtconstructies en de kleine ramen in het achterhuis, is dan verklaarbaar.